
Zaanstad en Nijmegen zaten in beperkte mate fout bij het verzamelen van gegevens voor hun zogenoemde zelfredzaamheidsmatrix, die wordt gebruikt bij het beoordelen van aanvragen voor maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Ze zijn daar inmiddels mee gestopt.
Dat antwoordt minister Hugo de Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op vragen van de SP-Kamerleden Maarten Hijink en Nine Kooiman over deze kwestie. Van het ‘binnenharken van persoonsgegevens’ is geen sprake geweest, aldus de minister. De beide gemeenten waren onderzocht door de Autoriteit Persoonsgegevens, die vaststelde dat er in sommige gevallen meer geregistreerd werd dan noodzakelijk was.
[embed][/embed]
Als reactie op de constatering van de Autoriteit Persoonsgegevens dat de instructies die gemeenten op dit punt krijgen niet concreet en specifiek genoeg zijn, waardoor ze niet aan hun zorgplicht (kunnen) voldoen, schrijft De Jonge niet van plan te zijn om 'specifieke activiteiten te ondernemen' die gemeenten die met zelfredzaamheidmatrices werken helpen om daar vanuit het privacyrecht gezien goed mee om te gaan.
Naar zijn mening geven de rapporten van de Autoriteit Persoonsgegevens hier al voldoende aanwijzingen voor en daarnaast besteedt de Vereniging Nederlandse Gemeenten op haar website aandacht aan de kwestie.
Over het algemeen nemen gemeenten de aanbevelingen van de Autoriteit Persoonsgegevens serieus, aldus De Jonge, ‘wat echter niet betekent dat er nooit fouten worden gemaakt’.
[embed][/embed]
Het is ‘onvermijdelijk’ dat degenen die moeten vaststellen of een cliënt behoefte heeft aan hulp van een gemeente inzicht krijgen in de persoonlijke situatie van die cliënt, schrijft hij ook. Waar het in het kader van de privacy om gaat, is dat niet meer persoonsgegevens worden gevraagd dan noodzakelijk is om de behoefte vast te kunnen stellen en dat er niet meer geregistreerd wordt dan nodig is.
‘De Autoriteit Persoonsgegevens geeft een goed voorbeeld van het verschil tussen de gegevens die bij de cliënt opgevraagd mogen worden en de gegevens die geregistreerd mogen worden: soms zal het nodig zijn om gegevens op te vragen om vast te kunnen stellen òf er behoefte bestaat aan bepaalde hulp. Blijkt echter dat de behoefte aan de desbetreffende hulp niet bestaat, dan is er geen noodzaak om die gegevens te registreren en is registratie daarom ook niet toegestaan. Dat scheelt dan bovendien in de administratieve lasten.’
[embed][/embed]
Met de op 1 januari 2015 ingevoerde decentralisaties kregen gemeenten, om maatwerk te kunnen leveren, een grote beleidsvrijheid in de wijze waarop zij de WMO, de Jeugdwet en de Participatiewet uitvoeren. Daarbij is gekozen voor ‘de lerende praktijk’. De handhaving van de pricacyregels is daarbij geen taak voor bewindslieden of hun ministeries, maar van de Autoriteit Persoonsgegevens, meent de minister.






