Een overkapping aan een woning en een schuur in West-Knollendam hebben tot een burenruzie geleid die tot bij de Raad van State is uitgevochten. De voorzieningenrechter
heeft nu geoordeeld dat er gesloopt dient te worden.
Voor zowel de overkapping van 23 vierkante meter als de schuur van 55 vierkante meter was geen vergunning aangevraagd en dat leidde tot een verzoek om handhaving, dat Zaanstad uiteindelijk toewees. De schuur en de overkapping moesten verdwijnen. Volgens de beheersverordening Bedrijventerrein Molletjesveer stond de overkapping illegaal op grond met de bestemming tuinen. Voor de schuur was dat deels tuinen en deels erven.
Legalisering onmogelijk
Beide bouwwerken kwamen niet in aanmerking voor legalisering. De overkapping aan de voorkant van de woning niet vanwege de bouw in de tuin en de schuur niet omdat de breedte meer dan de helft van de voorgevel van het hoofdgebouw bedroeg én omdat de Nota Woonbebouwing van Zaanstad geen ruimte biedt voor het toestaan van een schuur in het voorerfgebied. Volgens de eigenaren mocht echter in beide gevallen vergunningvrij gebouwd worden.
Voor- of achtererf?
Wat de overkapping betreft zou die niet op het voor- maar op het achtererf hebben gestaan. Nu wordt het ingewikkeld, want wat is in juridische zin een achtererfgebied? Dat is 'een erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op één meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen'. Vast staat dat de voorkant van de woning de naar de weg gekeerde zijde van de woning is. Maar aan de voorkant van de oorspronkelijke woning is een aanbouw gerealiseerd, waardoor hij een T-vorm heeft gekregen.
In zo'n geval is de lijn die bepalend is voor het achtererfgebied de lijn die in een knik evenwijdig met deze geveldelen meeloopt. En omdat de overkapping zich vóór één van de bouwdelen die de hoofdmassa vormen bevond, en dus vóór één van de gevelvlakken van de voorkant van het hoofdgebouw, was er geen sprake van een achtererf.
Te grote schuur
Wat de schuur betreft: die was volgens Zaanstad groter dan de maximale bebouwing die er was toegestaan. De eigenaren stelden dat die overschrijding verwaarloosbaar was. Zij voerden aan dat de berekening van de omvang van het vergunningvrije bebouwingsgebied die het college maakte niet klopte. Bij die berekening was volgens hen ten onrechte een deel van de sloot en de oever aan de noordkant van hun perceel buiten beschouwing gelaten. Die vierkante meters mochten ze volgens hen erbij optellen.
De oppervlakte om vergunningvrij te mogen bouwen zou dan uitkomen op 50,88 vierkante meter en dus zou de schuur nog geen vijf vierkante meter te groot zijn. Een dergelijke 'geringe' overschrijding ws volgens hen geen rechtvaardiging voor het moeten afbreken van de hele schuur. De voorzieningenrechter ging er niet in mee. 'De sloot heeft de bestemming water en is bestemd voor waterberging, waterhuishouding, waterlopen en verkeer over water. Inrichting van de sloot ten dienste van het gebruik van de woning is niet toegestaan. Dat de sloot geen openbaar vaarwater is, doet daar niet aan af,' aldus de uitspraak.