In 2024 ging net als een jaar eerder zo'n acht procent van de vrijgekomen huurwoningen van een corporatie naar een huishouden met een statushouder. Er werden meer aleenstaande statushouders gehuisvest in een vrijgekomen sociale huurwoning en minder stellen met kinderen, blijkt uit de
jongste gegevens van het CBS.
In Flevoland was het aandeel statushouders met twaalf procent van alle toegewezen woningen het hoogst, gevolgd door de Gooi en Vechtstreek met elf procent en Utrecht met tien. In Delfzijl en omgeving was het aandeel met minder dan één procent het laagst. De Zaanstreek noteerde vijf procent.
Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek
Ruim twee op de drie huishoudens die twee jaar geleden naar een corporatiewoning verhuisden bestond uit één persoon. Van deze singles was acht procent een statushouder (8500 mensen). Een jaar eerder was dat zeven procent.
Van de stellen met kinderen die in 2024 naar een corporatiewoning verhuisden, had 21 procent een statushouder als gezinslid (2800 huishoudens). Een jaar eerder was dat 23 procent. In meer dan de helft van deze gezinnen had minstens één gezinslid korter dan een jaar een verblijfsvergunning, of verbleef begin 2024 nog in een COA-opvanglocatie.
In 2024 kwamen 162.000 corporatiewoningen vrij waarin 264.000 mensen gingen wonen. Op persoonsniveau was negen procent van de nieuwe bewoners een statushouder; op huishoudensniveau acht procent. Dat verschil komt doordat huishoudens met een statushouder gemiddeld groter zijn dan huishoudens zonder.
Vrijkomende woning
Huishoudens met een statushouder laten na hun verhuizing minder vaak een woning achter. Bij zestien procent van de huishoudens met een statushouder kwam een woning vrij na hun verhuizing. Bij huishoudens zonder statushouder was dat bij ruim de helft. Nog eens achttien procent van de huishoudens met een statushouder verhuisde uit een woning waarin andere bewoners achterbleven.