Het college heeft
beleidsregels vastgesteld voor het intrekken van omgevingsvergunningen die al een jaar of langer niet gebruikt worden of waarbij de uitvoering al een jaar of langer is gestopt.
Een omgevingsvergunning heeft in principe een onbeperkte geldigheidsduur: het uitgangspunt is dat een vergunde activiteit niet alleen mag, maar ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. Als redenen voor het intrekken van een vergunning kunnen worden aangevoerd het belang van volkshuisvesting, het vanuit gemeentelijk oogpunt verliezen van zicht op de ruimtelijke omgeving en leefomgeving en de omstandigheid dat nieuwe ontwikkelingen eventueel kunnen worden tegengehouden door beperkingen van niet-gerealiseerde maar nog wel juridisch bestaande mogelijkheden.
Onrust in buurten
Daarnaast wil het college voorkomen dat de kans groter wordt dat met een al langer niet-gebruikte vergunning in afwijking van bijvoorbeeld nieuwe technische en stedenbouwkundige regels wordt gebouwd of in afwijking van nieuw gemeentelijk beleid voor bijvoorbeeld duurzaamheid. Zogenoemde slapende vergunningen vergroten daarnaast de kans dat de omgeving niet meer op de hoogte is van de goedgekeurde plannen en dat de buurt zich roert als alsnog met de uitvoering wordt begonnen.
Uitzonderingen
Op de intrekkingsregel kunnen uitzonderingen worden gemaakt. Wanneer een vergunninghouder bijvoorbeeld aannemelijk kan maken dat de vergunning binnen een bepaalde en afzienbare tijd alsnog (geheel) zal worden uitgevoerd, kan coulance worden betracht. Of wanneer algemene belangen - zoals van woningbouw, kwaliteit van het projectgebied en de omgeving van het project, ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse, door de gemeente gesteunde ontwikkelingen, de gemeentelijke werkzaamheden en investeringen voor het vergunde project en het daaropvolgende bijbehorende gebruik - zwaarder wegen.