Alleen in Den Helder kregen in 2025 procentueel gezien meer Noord-Hollandse kinderen en jongeren jeugdzorg dan in Zaanstad. Hier was dat aandeel 13,3 procent; in de marinestad 13,7. Landelijk ging het om 477.000 jongeren - 2,8 procent minder dan een jaar eerder, blijkt uit voorlopige cijfers van het
Centraal Bureau voor de Statistiek. Oostzaan staat op 10,1 en Wormerland op 10,5 procent.
Het was voig jaar - coronajaar 2020 uitgezonderd - de eerste daling sinds 2015; het jaar waarin de gemeenten verantwoordelijk werden voor de uitvoering van jeugdzorg. Van de drie belangrijkste vormen van jeugdzorg daalt het aantal jongeren met jeugdhulp en jeugdbescherming. Het aantal jongeren met jeugdreclassering neemt echter toe. Jongeren kunnen tegelijkertijd te maken krijgen met meerdere vormen van jeugdzorg. Jeugdhulp was met 469.000 cliënten in 2025 de grootste vorm van jeugdzorg.
Jeugdhulp is hulp aan jongeren met psychische, psychosociale en / of gedragsproblemen of een verstandelijke beperking. Bijna 33.000 jongeren kregen in 2025 jeugdbescherming. Dat is 3,3 procent minder dan een jaar eerder. De rechter legt een jeugdbeschermingsmaatregel dwingend op als de veiligheid en ontwikkeling van het kind in gevaar zijn. Een jongere wordt dan onder toezicht gesteld of onder voogdij geplaatst. Jeugdbescherming stopt als de jongere achttien jaar wordt.
In 2025 kregen bijna 9000 jongeren jeugdreclassering, 4,5 procent meer dan in 2024. Jeugdreclassering is bedoeld voor jongeren van twaalf tot achttien jaar die voor hun achttiende verjaardag met de politie of een leerplichtambtenaar in aanraking zijn geweest en een proces-verbaal hebben gekregen. Van alle jongeren tot 23 jaar in ons land kreeg 10,8 procent jeugdzorg in 2025. Dit verschilt sterk per gemeente: van vijf procent tot meer dan vijftien procent. Dit kan meerdere oorzaken hebben. Gemeenten kunnen eigen keuzes maken in de manier waarop ze jeugdzorg organiseren. Daardoor zijn er verschillen tussen gemeenten in de hoeveelheid en het soort jeugdzorg dat beschikbaar is.
Daarnaast kunnen ook sociaaleconomische verschillen tussen regio’s een rol spelen, zoals de hoogte van het inkomen en het aantal eenoudergezinnen. Ook het gebruik van andere zorg speelt een rol, bijvoorbeeld het zorggebruik vanuit de Zorgverzekeringswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning of de Wet langdurige zorg.