De dwangsommen die drie glazenwassersbedrijven opgelegd hebben kregen van burgemeester Jan Hamming zijn
opgeschort door de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank moet er later nog een eindoordeel over uitspreken.
De burgemeester heeft in 2024 bepaald dat glazenwassers een vergunning nodig hebben om in Zaandam te werken of zich in Zaandam Oost te vestigen. Na een controle concludeerde hij dat drie bedrijven zonder vergunning in Zaandam Oost gevestigd zijn met werkzaamheden buiten die stad. De glazenwassers zijn formeel gevestigd buiten Zaandam Oost, maar volgens Hamming gebruiken zij deze panden niet als vestiging. Zo werd volgens de burgemeester één pand alleen gebruikt voor onderdak voor werknemers en stonden in een ander pand een monitor en toetsenbord die niet waren aangesloten op het stroomnet.
Schijnconstructies
Personeel van omliggende bedrijven verklaarde daarnaast dat ze nooit werknemers van het glazenwassersbedrijf op de vestiging zagen. De eigenaren van de bedrijven wonen in Zaandam Oost en vertrekken vanuit huis – al dan niet met een bedrijfswagen – naar hun klus. Hieruit constateertde de burgemeester dat de vestigingen een schijnconstructie zijn en dat de bedrijven eigenlijk gevestigd zijn in Zaandam Oost. Hij legde elk van de bedrijven een dwangsom op van 20.000 euro. De bedrijven gingen daar tegen in beroep.
De burgemeester heeft toegezegd dat de dwangsom niet wordt geïnd zolang de procedure bij de rechtbank nog loopt. Wel heeft Hamming tweede dwangsom opgelegd van 40.000 euro. Als bij een volgende controle opnieuw wordt vastgesteld dat zij in Zaandam Oost zijn gevestigd, dan moeten zij dat geld ook aftikken. De bedrijven vragen de voorzieningenrechter om deze dwangsom eveneens op te schorten in afwachting van de beslissing van de rechtbank.
Toetsing vergunningplicht
De voorzieningenrechter stelt vast dat de eigenaren mogen wonen in Zaandam Oost en ook vanuit huis woon-werkbewegingen mogen maken. Dat betekent niet automatisch dat de bedrijven op de woonadressen in Zaandam Oost zijn gevestigd. Dat de burgemeester twijfelt over de rol van de vestigingen buiten Zaanstad, verandert dit niet. Omdat het maar de vraag is of het standpunt van de burgemeester standhoudt bij de rechtbank, schort de voorzieningenrechter de besluiten van de burgemeester op tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank zal zich dan ook uit kunnen spreken over de vraag of de burgemeester de vergunningseis wettelijk wel mag stellen.