
De gemeente Utrecht heeft met het besluit om afgelopen zomer gedurende zes weken statushouders voorrang te geven op vrijkomende sociale huurwoningen geen verboden onderscheid gemaakt op grond van ras. Dat heeft het College voor de Rechten van de Mens geoordeeld nadat Utrecht hierover een uitspraak had gevraagd.
Andere woningzoekenden op de wachtlijst voor een sociale huurwoning moesten door het besluit langer wachten en dat leidde tot klachten en meldingen bij de gemeente, maar ook bij Artikel 1 Midden Nederland en het College voor de Rechten van de Mens. De klagers menen dat het besluit hen discrimineerde op grond van afkomst, maar volgens Utrecht was daar geen sprake van. De versnellingsactie gold ten opzichte van (vrijwel) alle andere woningzoekenden, ongeacht hun afkomst.
De achtergrond van de tijdelijke maatregel was dat Utrecht een achterstand moest inlopen bij haar wettelijke taak om statushouders te huisvesten, het Rijk alle gemeenten had opgedragen om een tandje bij te zetten en dat Utrecht zich wilde bewijzen als Mensenrechtenstad. Bovendien werd de versnellingsactie gecombineerd met maatregelen om de woningvoorraad op de middellange termijn te vergroten.
Het College voor de Rechten van de Mens legt uit dat het begrip ‘onderscheid op grond van ras’ in de Algemene wet gelijke behandeling onder andere onderscheid op grond van afkomst omvat. Het overweegt dat de versnellingsactie inhoudt dat statushouders voorrang krijgen en dat deze groep vooral uit mensen met een niet-Nederlandse afkomst zal bestaan. Niet-statushouders kunnen zowel van Nederlandse als niet-Nederlandse afkomst zijn, maar in de praktijk valt niet uit te sluiten dat vooral mensen van Nederlandse afkomst zullen worden benadeeld door de maatregel. Het College komt dan ook tot de conclusie dat sprake is van indirect onderscheid op grond van ras.
Indirect onderscheid is niet verboden als er sprake is van een objectieve rechtvaardiging. Dat houdt in dat er sprake is van een legitiem doel voor het gemaakte onderscheid, en dat het middel dat is gebruikt om dat doel te bereiken passend en noodzakelijk is. Dat is in dit geval het geval. 'De gemeente heeft met de versnellingsactie tot doel zijn wettelijke taak uit te voeren en een bijdrage te leveren aan de verlichting van de asielcrisis. Dat is legitiem,' aldus het oordeel.
'De versnellingsactie is ook passend. De gemeente heeft de maatregel zorgvuldig opgesteld en rekening gehouden met het aantal te huisvesten statushouders en de verwachte vrijkomende woningen. De statushouders konden hierdoor snel worden gehuisvest, en zo snel het doel bereikt was heeft de gemeente de maatregel beëindigd.'
Er waren voor de gemeente, gelet op de urgentie vanwege de crisis in de asielketen geen alternatieven waarmee snel in de huisvesting van de statushouders kon worden voorzien. 'Bovendien heeft de gemeente zich actief ingespannen om andere woningzoekenden tegemoet te komen. Zo bleven noodplaatsingen in de betrokken periode mogelijk en werden urgentieverklaringen, als zij door de gemeente waren afgegeven automatisch verlengd. Mensen met urgentieverklaringen die niet door de gemeente waren afgegeven, werden gewezen op de mogelijkheid om verlenging aan te vragen.'
Als laatste heeft Utrecht zich tot doel gesteld in de periode 2022 - 2025 tijdelijke huurwoningen te realiseren om zo het woningaanbod in de sociale sector te vergroten en daartoe ook concrete stappen gezet. Dit alles bij elkaar genomen concludeert het College daarom het door de gemeente ingezette middel 'noodzakelijk en evenredig'was. Dit betekent dat het gemaakte onderscheid niet verboden is.






